Wat heeft je dit jaar verbindende vreugde gebracht? En wat verbindend verdriet? Met die twee vragen begon onze vergadering bij Ecokerk in Brussel. Terwijl de anderen hun verhaal deelden, zocht ik naar mijn eigen antwoorden.
Vreugde en verdriet
De vreugde was snel gevonden: een vakantie in Italië met mijn vier volwassen zoons. Genieten van de mensen die ze geworden zijn, van hun humor, hun eigenheid en hun eigen kijk op het leven. Wat een zegen om hun moeder te mogen zijn en een stukje met hen mee te mogen wandelen op weg naar hun toekomst.

Het verdriet lag in het uiteenvallen van een gezin in mijn familie. Een echtscheiding. Twee mensen die elkaar door de jaren heen kwijtraakten. Misverstanden die zich opstapelden, harde woorden die zich in de ziel kerfden. Ogen die elkaar niet meer vonden. Handen die elkaar niet meer aanraakten en uiteindelijk loslieten.
In beide antwoorden draaide het om hetzelfde: verbinding. De vreugde van het samenzijn. En het verdriet wanneer die verbondenheid verloren gaat.
Een gewonde vreemdeling
Terwijl ik daar zat, dwaalden mijn gedachten af naar de man die ik vlak voor de vergadering had ontmoet.
Ik was al bijna bij het kantoor toen hij mij aansprak. Een magere man met een gehavend uiterlijk. Ik dacht dat hij om geld wilde vragen. Kleingeld had ik niet bij me.
Toen opende hij zijn jas.
In zijn mouw zat een snee. Daaronder gaapte een grote wond.
‘Ik ben neergestoken’, zei hij in het Frans. ‘Iemand heeft mij met een mes gestoken.’
Hij zocht hulp. Bij mij.
‘Suivez-moi’, zei ik. Volg mij.
Hij volgde me naar binnen. Bij de balie wees ik op zijn verwonding en stelde voor de hulpdiensten te bellen. De medewerkster verwees hem naar de spoedafdeling van het ziekenhuis, vlakbij. ‘C’est juste à côté’, zei ze, terwijl ze in de richting van het ziekenhuis gebaarde.
Even later stond hij weer buiten. Alleen, met zijn steekwond, op weg naar iemand die hem zou verbinden.

Zoals een moeder haar kind omarmt
Hij slenterde verder. Mensen maakten een boog om hem heen. Misschien waren ze bang. Misschien ook wilden ze nergens bij betrokken raken. Maar wat ik zag, was een gewonde man die in zijn kwetsbaarheid alleen bleef.
Ook ik liet hem uiteindelijk gaan.
Een regel uit een lied kwam bij me op:
‘Zoals een vader die zijn kind omarmt, ja zo omarmt U ook mij.’ (Opwekking 462)
Mijn gedachten dwaalden af naar de geboorte van mijn oudste zoon. Ook deze man moest ooit als kind zijn omarmd. Ergens had een moeder zijn eerste schreeuw gehoord. Hadden ouders hem een naam gegeven, vol hoop op de toekomst die voor hem lag.
Op de terugweg in de trein vraag ik me nog altijd af hoe het met hem gaat. De vreemdeling voor wie mensen uit de weg gaan, in een samenleving waarin wantrouwen tegenover wie anders is steeds luider klinkt. Maar ook: de kwetsbare man aan de rafelranden van de stad, op zoek naar heling.
In het ziekenhuis zullen ze ongetwijfeld naar zijn identiteitsbewijs hebben gevraagd. Maar wie vraagt hem werkelijk naar zijn naam?

Geef een reactie