Een overdenking over Hosea, Matteüs en het verlangen dat ons allemaal beweegt
Het verlangen
Er is iets wat bijna ieder mens diep van binnen verlangt. Niet zozeer bewondering, succes of gelijk krijgen. Maar gekend worden. Werkelijk gekend.
Dat iemand ziet wie je bent achter je functie, je diploma’s, je fouten of je masker. Dat iemand weet waarvan je droomt, waar je bang voor bent, wat je verdriet doet en wat je hoop geeft.
Toch ervaren velen van ons juist het tegenovergestelde. Hoe vaak worden we niet beoordeeld op een momentopname? Op iets wat we gezegd hebben. Op een fout die we maakten. Of misschien op ons uiterlijk, onze naam of de groep waartoe we behoren. Soms lijkt het alsof mensen een oordeel over ons vormen en daarna niet meer kijken.

Misschien doet dat wel zo’n pijn omdat we diep vanbinnen weten: een mens is altijd meer dan zijn fouten. Meer dan zijn verleden. Meer dan het verhaal dat anderen over hem vertellen.
Kennen als een werkwoord — da’at
De profeet Hosea raakt aan dat verlangen. Hij roept het volk op: “Laten wij de Heer kennen, laten we ernaar streven Hem te kennen.” (Hosea 6)
Dat klinkt misschien alsof het gaat over geloofskennis: jarenlange studie, de juiste teksten en antwoorden, kerkleer of theologie. Maar het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, gaat dieper.

Het Hebreeuwse woord da’at verwijst niet alleen naar weten, maar naar een wijze van kennen die het hele leven omvat. Het gaat om een levende relatie met God, gekenmerkt door vertrouwen, trouw en betrokkenheid. Da’at blijft niet steken in het verstand, maar krijgt gestalte in hoe we leven.
Maar dan zegt Hosea iets confronterends. Want God lijkt niet onder de indruk van alle mooie woorden van het volk:
“Jullie liefde is vluchtig als de ochtendnevel, als dauw die verdwijnt zodra de zon opkomt.”
Misschien herkennen wij dat wel. De ene dag bidden, de andere dag leven alsof God niet bestaat. Dat is geen da’at, maar eerder een oppervlakkige kennis die nooit de kern raakt.
“Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.” (Hosea 6:6)
Het woord dat met liefde vertaald is, is het Hebreeuwse chesed: trouwe liefde en verbinding. Het gaat niet om wat je geeft, maar om wie je bent in het geven.
Chesed vraagt niet om perfectie. Het vraagt om een hart dat open blijft — voor God, voor de ander, voor het leven zelf.
Eten met zondaars en tollenaars
In het evangelie van Matteüs (9:9-13) zien we hoe dat eruitziet. Jezus gaat eten met Matteüs, een tollenaar. Iemand die door velen wordt gemeden, die voor de meeste religieuze mensen aan de verkeerde kant staat. En precies daar gaat Jezus zitten: aan die tafel.
Jezus doet dat niet omdat hij overtredingen goedpraat. Hij doet dat omdat hij de mensen achter de fouten ziet, daar waar anderen vaak alleen een oordeel vellen. Waar anderen een mislukkeling zien, ziet Jezus de mens met zijn unieke verhalen en potentieel. En waar anderen zich focussen op het verleden, ziet hij kansen voor de toekomst.
Hij staat hier wel
Onlangs bezocht ik het Bijbelhuis in Antwerpen. Daar komen jongeren die vaak al heel wat labels hebben meegekregen: lastig, problematisch, afgeschreven. Een van de begeleiders vertelde me hoe er soms over hen gesproken wordt alsof hun toekomst al vastligt. Toen een school zich beklaagde over een geschorste leerling, antwoordde hij:
“Maar hij staat hier wel.”
Die woorden bleven me bij. Ondanks alles wat er gebeurd is. Ondanks de fouten. De verwachtingen die door anderen zijn opgegeven. Hij staat hier wel.

Misschien is dat precies wat Jezus ziet wanneer hij aan tafel gaat met tollenaars en zondaars. Waar anderen een etiket zien, ziet hij een mens. En waar anderen het verleden zien, ziet hij een mogelijke toekomst.
Aan beide kanten van de tafel
Laten we eerlijk zijn: zitten wij niet allemaal wel eens aan beide kanten van die tafel?
Soms lijken we op Matteüs. Dan weten we heel goed waar we tekortschieten. Dan ervaren we twijfel, schuld of schaamte. Weer andere keren lijken we op de farizeeën. Dan denken we precies teweten wie er gelijk heeft en wie fout zit, en kijken we naar anderen door de bril van ons eigen oordeel.
Het evangelie nodigt ons uit om die bril af te zetten. Om te kijken zoals Christus kijkt: met ogen van barmhartigheid. Ogen die verder zien dan gedrag alleen.
Een priester zei onlangs iets wat me raakte:
“De Drie-eenheid is geen raadsel voor het verstand, maar een woonplaats voor het hart.”
Misschien geldt dat ook wel voor het kennen van God.
Thuiskomen
Uiteindelijk gaat geloof niet eerst over begrijpen, maar over deelnemen aan een relatie van liefde.
En over thuiskomen. Thuiskomen bij een God die ons al kent voordat wij Hem kennen. Een God die niet afhaakt wanneer onze trouw verdampt als ochtendmist. Een God die op de uitkijk blijft staan, blijft roepen, blijft uitnodigen.
Wie zich werkelijk gekend weet, hoeft zich niet langer te verbergen. Wie zich gekend weet, hoeft zichzelf niet voortdurend te bewijzen. En wie zich gekend weet, kan ook de ander met nieuwe ogen bekijken: milder, ruimer en met meer oog voor het heilige dat in ieder mens verborgen ligt.
Is dat geen hoopvolle uitnodiging van Hosea en van Jezus? Niet om perfect te worden, maar om ons te laten kennen. Door God, door onszelf en door elkaar.
Kom zoals je bent. Sta hier. Dat is genoeg. 💚

Dit is de tekst van de overdenking op zondag 7 juni 2026 in PG De Westhoek in Oostburg.

Geef een reactie