Overdenking
De veertigdagentijd neemt ons mee op weg. Een weg van dood naar leven, van verlies naar herstel, van duisternis naar licht. Maar die beweging gaat zelden in een rechte lijn omhoog, alsof geloof een soort blind vooruitgangsproject is, of alsof je met één straaljagervlucht zonder omwegen op je bestemming belandt.
Nee, deze weg lijkt eerder op een pelgrimstocht door het leven zelf: soms zoekend, soms struikelend, dan weer vol hoop, dan weer omgeven door schaduw.
En vandaag, na deze vijfde zondag van de veertigdagentijd, wordt die weg smaller. Vandaag gaat het niet alleen over hoop, maar ook over leven dat dwars door de dood heen breekt. En dat is geen gemakkelijke boodschap.
Voorbij dood of leven
We worden herinnerd aan een Bijbelverhaal van de profeet Ezechiël. De profeet krijgt in een visioen een dal te zien dat vol ligt met dorre beenderen. Dood in zijn meest kale, uitgebeende vorm. En dan stelt God hem een vraag die ongemakkelijk dichtbij komt:
“Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?”
Wat moet je daar nu op zeggen? Wij houden van duidelijke categorieën, toch? Levend of dood. En wat dood is, blijft dood. Denk aan een gestorven mus: je kunt als mens nog zo precies opereren, alles netjes herstellen, maar je kunt niet maken dat het hartje weer begint te kloppen. Je kunt de levensadem er niet in terugblazen.

Maar de Schepper opent hier een andere werkelijkheid.
Niet de logica van wat wij zien, of wat onze wetenschap kan bewijzen, maar de mogelijkheid van wat God kan doen.
Dorre doodsbeenderen herleven
Ezechiël antwoordt voorzichtig, bijna ontwijkend: “U weet het, Heer.”
En dan gebeurt het ondenkbare. Door woorden van leven, door Gods levengevende Geest, schuiven botten weer naar elkaar toe. Ze voegen zich aaneen. Er komt vlees, er komt adem. En wat dood was, staat weer op.
De dood van Lazarus
Dat visioen krijgt in het Johannesevangelie handen en voeten. Niet in een droom maar in een huis. In Bethanië, bij vrienden.
Lazarus is gestorven. Al vier dagen terug. De rouw is begonnen, de hoop begraven, de tijd doet wat tijd vaak doet: hij maakt het verlies zwaarder omdat het steeds definitiever voelt.
En dan komt Jezus.
Te laat, zo lijkt het. Martha zegt het hardop, zonder omwegen:
“Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Het is een zin die velen van ons zullen herkennen. Misschien niet letterlijk, maar wel in onze eigen woorden, in onze eigen pijn.
- Waar was U?
- Waarom kwam U niet eerder?
- Waarom hoorde U mij niet toen ik riep?
En dan gebeurt er iets dat misschien nog opvallender is dan het wonder zelf: Jezus geeft geen snelle antwoorden. Hij praat het lijden niet goed. Hij windt er geen vrome strik omheen; doet niets om het verdriet te relativeren.
Jezus huilt.
Hij is innerlijk bewogen, geraakt door het verlies. Niet omdat hij de afloop niet kent, maar omdat hij het lijden voluit serieus neemt. Dat is misschien wel het eerste wat dit evangelie ons leert: geloof is geen ontkenning van de werkelijkheid. Verdriet mag bestaan. Rouw mag ruimte krijgen. De dood is geen illusie, maar realiteit.

Geen goedkope troost
En toch blijft Jezus daar niet staan. Hij zegt tegen Martha:
“Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft.”
Dat is geen goedkope troost. Het is een verschuiving van perspectief. Jezus zegt niet: “De dood is een illusie.” Hij zegt: “De dood heeft niet het laatste woord.”
En dan komt het moment waarop het verhaal kantelt. De steen wordt weggerold. Jezus roept:
“Lazarus, kom naar buiten!”
En daar komt hij. Zijn vriend Lazarus. In doeken gewikkeld, zijn gezicht nog bedekt met windsels. Net als in het verhaal van Ezechiël breekt er iets open: leven, precies daar waar niemand het nog verwachtte.

Het evangelie van de vriendschap
Maar als we goed kijken, gaat dit verhaal niet alleen over Lazarus.
Het is óók het evangelie van de vriendschap.
Jezus gaat naar Bethanië, niet omdat het daar zo veilig is. Integendeel: hij weet dat deze stap hem dichter bij zijn eigen dood zal brengen. En toch gaat hij. Waarom? Omdat hij zijn vrienden niet alleen laat. Hij kiest ervoor aanwezig te zijn in hun donkerste moment.
Dat is liefde: niet op veilige afstand blijven, zodat je zelf niet geraakt wordt. Of de juiste woorden zoeken om het ongemak snel te dempen. Maar nabijheid. Kwetsbaarheid, zelfs tot het uiterste.
En daarmee raakt dit evangelie aan de diepte van het passieverhaal. Dit wonder is geen eindpunt, maar een keerpunt. Vanaf nu besluiten de machthebbers dat Jezus moet sterven. Leven wekken brengt hem zelf op het pad van de dood.
Dat is de paradox van het evangelie: wie leven geeft, geeft daarmee ook iets van zichzelf.

En dan komt de vraag naar ons toe. Niet als theorie, maar persoonlijk: wat betekent het om in deze Jezus te geloven? Om niet alleen te juichen om het wonder, maar hem te volgen, ook wanneer het ingewikkeld wordt?
Jezus zegt: “Wie mij dient, moet mij volgen.”
Dat klinkt eenvoudig, maar het is allesbehalve oppervlakkig. Geloven is geen hobby of feel-good verhaal. Het is een weg. Een pelgrimstocht die door het leven voert, maar ook door ervaringen van verlies, twijfel en loslaten.
Het leven houdt ons een medaille voor: aan de ene kant vreugde, liefde en overwinning; aan de andere kant verdriet, pijn en verlies. En hoe vaak willen we niet alleen één kant aanvaarden?
Maar we kunnen het leven niet omarmen als we niet bereid zijn de hele munt te aanvaarden.
Rouw is de keerzijde van liefde
Toen ik als ziekenhuispastor in een streekziekenhuis werkte, zei een oude weduwnaar eens tegen mij: “Rouw is de keerzijde van liefde.” Dat tekent het helemaal. We kunnen ons pas werkelijk verbinden als we ook bereid zijn de pijn te dragen die bij liefde hoort. Als twee mensen elkaar het ja-woord geven, aanvaarden ze impliciet de wetenschap dat er ooit een dag kan komen waarop je elkaar weer moet loslaten. Vreugde en verdriet liggen soms in elkaars verlengde. Soms lopen ze zelfs hand in hand. Die pijn is niets om je voor te schamen. Ze is menselijk. Pijn mag er zijn.
Opstanding begint meestal klein
Misschien herken je het wel: dat je soms in zo’n dal staat waar alles dor en levenloos lijkt. Dat je, zoals die man uit Somalië die ik ooit ontmoette, alleen nog maar ‘dode bomen’ ziet. Of dat je merkt dat je vastzit: in patronen, vermoeidheid of verdriet.
Dan is de vraag van vandaag niet: “Heb je wel genoeg geloof?” Maar: waar verlang jij naar méér leven? Waar moet er in jouw leven iets openbreken?
Want opstanding begint zelden spectaculair. Het begint klein. Als een zaadje. Als een woord dat je anders gaat spreken. Een keuze die je anders maakt. Een stap die je al lang uitstelt.

De Geest van God werkt vaak niet met geweld, maar van binnenuit. Zoals de lente. Eerst zie je alleen kale takken, maar onder de schors is het leven al begonnen.
Geliefden,
Deze zondag staat op de drempel van Pasen. Nog even, en we gaan het verhaal van het lijden binnen. Maar vandaag klinkt al deze belofte: de dood is niet het einde. De dood was niet het einde voor Lazarus. Niet voor Jezus. En de dood is niet het einde voor ons.
God laat niemand achter.
Hij roept ons bij name: “Kom naar buiten.”
Kom tevoorschijn uit wat je gevangen houdt. Kom uit wat verstard is, uit wat geen leven meer draagt.
En misschien is dat wel het geloof waar het vandaag om gaat: niet dat we alles met ons verstand kunnen bevatten, maar dat we durven vertrouwen dat God ook in ons leven nieuwe wegen kan openen. Dat zelfs in het dal al iets van opstanding gaande is.
Dus sta op. Schud het stof van je voeten en kijk nog eens.
Zie je het al? Een nieuw begin. 💚

Dit was de preektekst van zondag 22 maart 2026 in Protestantse Gemeente De Verbinding, Waterlandkerkje (NL).

Geef een reactie