Hoe ver durven we Gods liefde werkelijk te denken?
Over David de Vos, oordeelsteksten en een vergeten wijsheid
De afgelopen dagen heb ik met aandacht — en eerlijk gezegd ook met verwondering — het mediadiscours rond David de Vos gevolgd. Voor wie hem niet kent: David is een bekend gezicht binnen de evangelische wereld in Nederland. Jarenlang stond hij bekend om zijn vurige prediking en zijn duidelijke oproep tot bekering. In 2004 begon hij met Go and Tell, met als missie: “het evangelie verkondigen aan alle schepselen.” En dat had impact. Zijn campagnes, zowel in Nederland als in Afrika, trokken duizenden mensen.
En nu, 22 jaar later, trekt David zich terug. Niet omdat hij zijn geloof in God is verloren, maar omdat hij niet meer gelooft dat evangelisatie noodzakelijk is. Hij en zijn vrouw Joyce geloven niet langer dat je Jezus móét aannemen om gered te zijn. Evenmin onderschrijven ze nog dat wie geen bewuste keus maakt voor Jezus, voor eeuwig verloren is.
Dwaalleer
Zo’n ommekeer vraagt moed — zeker als je zoals David jarenlang binnen een systeem hebt gefunctioneerd waarin dit als dé onbetwistbare kern werd beschouwd. En ja, de reacties liegen er niet om. Wat mij het meest raakte, was niet alleen de kritiek zelf, maar de felheid ervan. David werd publiekelijk uitgescholden, beschuldigd van dwaalleer en verworpen als verrader van “de rechte leer”.
De meeste kritiek kwam uit een hoek die zichzelf ‘Bijbelvast’ noemt — maar waar op dat moment, pijnlijk genoeg, weinig ruimte leek te zijn voor naastenliefde, laat staan voor dialoog. Want in plaats van werkelijk naar elkaar te luisteren, werden tegenstanders met Bijbelteksten om de oren geslagen. Woorden die hadden kunnen dienen als sleutels tot wijsheid, werden ingezet als wapens. En je kunt je afvragen: is dat hoe een heilig boek bedoeld is?

“Hij kwam niet alleen voor jou.”
David deelde zijn gedachten in een open en kwetsbaar Facebookbericht. De toon was mild. Geen tegenaanval, maar een soort innerlijk verslag:
“Vandaag is het even niet makkelijk om David de Vos te zijn.
De druk is groot, de reacties zijn intens. Maar wat me het meest bezighoudt, is dit:
Wat bezielt mensen toch om zo fel te beweren dat niet iedereen bij God hoort?”
Wat volgt is geen afrekening met zijn verleden, maar een zoektocht. Een bekentenis. En ergens ook een uitnodiging:
“Jezus kwam voor de wereld. Niet voor een select groepje. Niet alleen voor jou of mij. Voor iedereen.
Alle mensen zijn een uiting van Gods leven en liefde op aarde.
Als we wandelen in liefde, wandelen we met Hem. Als we oordelen in boosheid, snijden we onszelf af van diezelfde liefde.
Tien jaar geleden had ik waarschijnlijk hetzelfde gedaan als jullie. Tot ik wakker werd.
Tot ik zag: Hij is zoveel groter dan mijn beperkte geloof.”
Voor sommigen klinkt dat als afvalligheid. Voor anderen, waaronder ikzelf, klinkt het als iemand die getuigt van een diepgaande spirituele ontwikkeling. Een ontwikkeling die inhoudt dat de goedheid van zijn Schepper niet langer beperkt is tot een leer of denominatie, maar alomtegenwoordig is. Als een Bron die alles omvat en reinigt, en nooit ophoudt te stromen.

Geloof of hel?
Naar aanleiding van deze discussie benaderden verschillende mensen mij met vragen. Soms een voorzichtig: “Dit klinkt zo liefdevol, ik wil niets liever dan geloven dat alle mensen kinderen van God zijn… maar wat als ik me vergis?” Oprechte woorden, recht uit het hart. Maar ze ademden geen vrijheid of vreugde, maar angst. Angst om het verkeerde te geloven. Angst voor straf. Angst voor een God die zegt: “Ik houd van je, tenzij…”
En ik vroeg me af: hoeveel van wat wij geloof noemen, is in feite angst gemaskeerd als trouw?
Jezus als brug
De uitspraak “Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt door de Vader dan door mij”, (Johannes 4:16) wordt vaak aangehaald om exclusivisme te legitimeren. De interpretatie luidt dan dat iedereen die Jezus niet als verlosser aanneemt, naar de hel gaat. Toen ik me afvroeg of die letterlijke interpretatie van alle tijden is, en of Jezus het ook anders bedoeld kan hebben, deed ik een verrassende ontdekking.
Jezus zegt namelijk niet: “Ik wijs je de weg” of “Ik geef je een waarheid”, maar “Ik bén de weg” — het pad zelf, de waarheid zelf, het leven zelf. Hij nodigt ons niet uit tot een geloofsformule, maar tot een levenswijze: een weg van liefde, waarheid en overgave die tot de Vader leidt. “Door Mij” betekent dan: via de geest, het hart en het leven van Christus in ons — niet per se door een formele bekering, maar door een innerlijke ontvankelijkheid voor wat hij belichaamt. Deze interpretatie sluit nauw aan bij Johannes 1:9, waar staat dat het Licht “ieder mens verlicht die in de wereld komt” — ongeacht afkomst, religie of context. Jezus als de weg wordt dan niet een grens, maar een brug.

Het universalisme van Origenes
Opmerkelijk genoeg is de juridische, exclusivistische lezing van Johannes 14:6 — waarin het vers een scheidslijn zou trekken tussen ‘gered’ en ‘verloren’ — historisch relatief jong. Oosters-orthodoxe christenen lezen hierin eerder een mystieke roeping, een weg van innerlijke omvorming (theosis), waarin Christus ons uitnodigt tot eenwording met God. En als we nog verder teruggaan in de tijd: neem Origenes, kerkvader uit de derde eeuw, die geloofde dat zelfs Satan (letterlijke betekenis: tegenstander, tegenkracht) uiteindelijk met God verzoend zou worden. Hij schreef:
“Het einde zal zijn als het begin, wanneer alle dingen in Christus worden hersteld.”
In zijn visie was Gods liefde zo totaal, zo zuiver, dat niets daar blijvend buiten kon vallen. Zonde was geen schuld die eeuwige straf verdiende, maar een ziekte die genezing nodig had.
Ook het Oude Testament kende geen leer van een eeuwige hel. De term Sheol duidt op een schimmig rijk van de doden, een plek van stilte — voor rechtvaardigen én onrechtvaardigen. De Israëlieten zagen dat niet als eeuwige verdoemenis, maar als een tijdelijke schaduwplaats voor de ziel.

Hoe is die liefde verloren gegaan?
De letterlijke interpretatie waarin David de Vos jarenlang geloofde — wie niet voor Jezus kiest, gaat naar de hel — leek hem lange tijd vanzelfsprekend. Niet alleen omdat zijn missie daarop gebouwd was, maar ook omdat iedereen om hem heen hetzelfde geloofde. Binnen zijn evangelische context was dit het fundament: een heldere boodschap, een duidelijke scheiding tussen gered en verloren, en de overtuiging dat er geen alternatief was.
Maar dat veranderde. Op een gegeven moment ontdekte David dat er ook andere interpretaties bestaan. Dat het exclusivisme dat hem jarenlang vanzelfsprekend leek, in feite niet zo vanzelfsprekend is. En dat de christelijke traditie — ondanks wat vaak wordt beweerd — rijker en veelstemmiger is dan het dogmatische kader waarin hij was grootgebracht. Want de kerkgeschiedenis bevat niet één rechte lijn van waarheid, maar een landschap van stemmen, inzichten en accenten. En sommige daarvan zijn verrassend anders, zonder daarom minder ‘Bijbels’ te zijn — ze benaderen de grondtekst alleen vanuit een andere invalshoek.
Daarmee komt een fundamentele vraag bovendrijven:
Hoe heeft het christendom — een beweging die begon met radicale genade — de leer van eeuwige verdoemenis zo centraal kunnen stellen?
Het antwoord is complex. In de eerste eeuwen was de theologie opvallend pluriform. Vele kerkvaders dachten niet in termen van zwart-wit, hemel-hel, gered-verloren, maar in mystieke, relationele en open kaders. Zonde werd gezien als vervreemding, en redding als genezing van de ziel. De liefde van God was het begin én het einde van alle dingen.

Theologie werd politiek
Maar met de opkomst van keizer Constantijn en de erkenning van het christendom als staatsgodsdienst in de vierde eeuw, veranderde de dynamiek ingrijpend. Theologie werd politiek. En waar religie zich met macht vermengt, ontstaat behoefte aan duidelijke grenzen:
- Wie hoort erbij?
- Wie spreekt de waarheid?
- Wie is ketter?
In die context klonk de inclusieve leer van Origenes — die geloofde in de uiteindelijke verzoening van alle zielen met God — de gevestigde macht als gevaarlijk in de oren. Een visie die zo ruimhartig was dat zelfs Satan uiteindelijk met God verzoend zou worden, paste niet binnen het nieuwe kerkmodel waarin structuur, gehoorzaamheid en orthodoxie centraal kwamen te staan. Op het concilie van Constantinopel (543) werd de leer van Origines dan ook officieel veroordeeld.
Wat ooit begon als een beweging van liefde, overgave en mysterie, raakte stap voor stap vervormd tot een systeem van controle, dogma en angst. En precies daar, in dat spanningsveld tussen genade en macht, ligt een sleutel tot het verstaan van hoe de hel — als plaats van eeuwige verdoemenis — zijn prominente plek kreeg in de westerse christelijke verbeelding.
Laten we nu een sprongetje maken naar een van de meest geciteerde Evangelieteksten.
Johannes 3:18 als stok of spiegel?
Iemand wees me op een tekst:
“Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is al veroordeeld.” (Johannes 3:18)
Deze tekst wordt vaak aangehaald als een juridisch vonnis. Als je niet in Jezus gelooft, dan wacht je een afschrikwekkend oordeel. Maar als je verder leest en deze woorden in hun context plaatst, dan zie je dat Jezus niet spreekt over een juridische afrekening, maar over licht en duisternis. In vers 19 staat:
“Dit is het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht.”
Het Griekse woord voor “oordeel” — krinō — betekent letterlijk onderscheiden, scheiden. Het gaat hier dus niet om veroordeeld worden door God, maar om de innerlijke staat van het hart: verlang ik naar licht, of houd ik vast aan duisternis?
Met andere woorden: God is Licht. Maar de Bron dringt zich niet op aan ons, en heeft ons een vrije wil gegeven. Waarvoor kiezen wij? Die keuze geldt niet alleen voor na dit leven, maar is bepalend voor het hier en nu. Voor elk moment van de dag. Kiezen we om ons open te stellen voor Gods licht en liefde, of kiezen we voor een leven in afgescheidenheid?
Dat maakt Johannes 3:18 geen zwaard om mee te slaan, maar een spiegel: waar in mij keer ik me nog af van het licht, uit angst, trots of schuld? En durf ik te geloven dat God me daar niet laat, maar tegemoet komt?

Gods liefde als mysterie
“Is dit geen dwaalleer?” vragen mensen zich soms af. “Is het niet gewoon modern en aantrekkelijk om te geloven dat iedereen kind van God is?” Maar eigenlijk is dat de verkeerde vraag. Het gaat niet over persoonlijk comfort, maar om een diepere zoektocht: naar waarheid, en naar de ruimte die we durven geven aan het mysterie van genade.
In 1 Johannes 2:2 lezen we:
“Hij is een verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld.”
Deze tekst staat centraal in het denken van velen die pleiten voor een bredere, inclusieve theologie. Niet uit gemakzucht of als loslaten van waarheid, maar vanuit de overtuiging dat de verzoening een universele reikwijdte heeft. Dat het niet beperkt is tot hen die de juiste leer onderschrijven, maar de hele schepping omvat.
Tegelijk zijn er ook teksten over oordeel, waakzaamheid, Sheol en Hades. Maar ook die vragen om nuance, om zorgvuldige exegese, en vooral: om gelezen te worden in het licht van Christus — waarin genade en waarheid niet tegenover elkaar staan, maar één geheel zijn.
David de Vos doet geen definitieve uitspraken. Hij claimt niet het laatste woord. Wat hij wél doet, is uitnodigen tot een open dialoog. Tot een pelgrimage van samen zoeken, in het besef dat de Waarheid ons altijd overstijgt. En wie goed luistert, hoort geen provocatie, maar een hartsverlangen:
“Wat als de kernvraag niet is: heeft David gelijk?
Maar: wat zegt dit over Gods hart?”
Misschien…
Misschien draait het niet om exclusief of inclusief, maar om de vraag:
hoe ver durven we Gods liefde werkelijk te denken?
Kolossenzen 1 zegt:
“Het heeft de Vader behaagd dat in Christus de volheid zou wonen, en dat Hij door Hem alle dingen met Zichzelf verzoenen zou […] zowel de dingen op aarde als in de hemel.” (Kol. 1:19–20)
Dat is geen goedkope genade. Het is een mysterie. En misschien ligt dáár onze roeping: om dat uit te houden in vertrouwen.

Tot slot
Misschien is het geen toeval dat het smalle evangelie vaak opkomt in tijden van angst, controle en machtscentralisatie. En dat het inclusieve evangelie opbloeit in tijden waarin mensen opnieuw leren luisteren — naar hun hart, hun geweten, en de fluistering van de Geest.
“Niemand is buiten mijn liefde.”
Stel nu dat dat geen afvalligheid is….
maar een thuiskomen bij een vergeten waarheid?
Ter verdieping:
- Boek: The History of Hell – Alice Turner
- Boek: Universal Salvation? The Current Debate – Robin Parry & Christopher Partridge
- Podcast: Rediscovering the Mystics – Richard Rohr over Origenes en Gregorius van Nyssa
Ter overweging
Wat zou er gebeuren in jouw binnenste
als je werkelijk zou vertrouwen
dat niets — ook jij niet, ook niemand niet —
ooit buiten Gods liefde kan vallen?

Geef een reactie