De verzen van Jesaja 60:1-6 en Efezërs 3 dagen uit om op te staan en te schitteren, want Gods luister zal stralen over Israël. Maar wat zien we daarvan? Het wereldtoneel lijkt eerder de omgekeerde wereld – juist daar waar de belofte zetelt, is het duister. Teksten over Israël, Zion en het nieuwe Jeruzalem roepen vragen op. Wat moeten we daarmee?
Met de prachtige woorden “Sta op en schitter, je licht is gekomen. Over jou schijnt de luister van de HEER” opent het eerste vers van Jesaja 60. Deze aankondiging van licht belooft de redding waar de Israëlieten zo lang op hebben gewacht. In poëtische verzen schildert de profeet het beeld van een stad die straalt in de vroege schittering van de morgenzon.
Wereld in duister
In de hedendaagse wereld, waar verontrustende berichten over oorlogen ons omringen, lijkt zo’n profetie misschien moeilijk te bevatten. De afgelopen periode stond in het teken van doorbreken van Gods licht in deze wereld. Advent is een periode waarin christenen uitzien naar het licht. Kerst is traditioneel het feest van de geboorte van Jezus, en Driekoningen herinnert ons aan de wijzen uit het Oosten die de ster volgden om geschenken te brengen aan het Christuskind. Al die belangrijke momenten in het jaar verwijzen naar Gods Licht dat in de wereld gekomen is.
Dat klinkt allemaal prachtig en beloftevol. Maar je kunt je afvragen: waar is dat licht in een wereld bedekt door duisternis, vooral in gebieden zoals Israël en Gaza? Het lijkt alsof we leven in een omgekeerde realiteit, waar oorlogsgebieden donkerder lijken dan elders ter wereld. Teksten over Israël, Zion en het nieuwe Jeruzalem roepen vragen op. Wat moeten we daarmee?

“God is licht en in Hem is geheel geen duisternis” (1 Joh. 1:5). De tegenstelling tussen licht en duisternis is een rode draad in de Bijbel vanaf het prilste begin. Duisternis is de afwezigheid van het licht, een plaats waar Gods licht en liefde niet kunnen doordringen. We zullen wat specifieker stilstaan bij deze twee aspecten: de aardse realiteit en de belofte.
De realiteit
De tegenstelling tussen licht en duisternis komt ook terug in Jesaja, wanneer de profeet schrijft: “Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de HEER, zijn luister is boven jou zichtbaar” (vers 3). Nog een thema in Jesaja is de personificatie van Israël als een verlaten vrouw. Die vrouw wordt opgeroepen om te ontwaken, op te staan en het stof van zich af te schudden, een messiaanse belofte die juist klinkt wanneer het donker is.
De ster van Betlehem
De donkere nacht – dat is ook de beginsituatie in het verhaal van Driekoningen (Mattheüs 2), als de ster van Betlehem na de geboorte van Jezus aan de hemel verschijnt. Die ster wordt beschreven als een helder licht dat de weg wijst naar de geboorteplaats van Jezus. Zelfs al lijkt het alsof de aardse werkelijkheid gewikkeld is in een donkere deken, er lijkt een lichtstraal door te breken – een schijnsel dat Gods grote beloften voor de wereld onthult.
Symbool van de hoop
Maar duisternis heeft ook een bredere betekenis, verwijzend naar geestelijke duisternis en onwetendheid die heerst over de mensheid. In zo’n toestand is het moeilijk Gods licht te herkennen. In de huidige tijd lijkt het voor velen alsof God afwezig is of zelfs helemaal niet bestaat – alsof we leven in een permanente staat van zonsverduistering.
In Jesaja 9:1 lezen we: “Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien. Zij die wonen in een land van diepe duisternis, over hen zal een licht schijnen.” Overwinning over de donkere nacht – dat is ook de diepere betekenis van de naam Israël, afgeleid van Yisrael, wat “strijder voor God” betekent, of “hij die worstelt met God.” Jakob kreeg die naam na zijn nachtelijke worsteling met een engel van God, pas nadat het licht was doorgebroken en hij de overwinning had behaald.
De belofte
De overwinning over de donkere nacht is dus een centraal thema in de Bijbel. Dat brengt ons bij het tweede punt: de belofte. Veel mensen maken zich zorgen over de vele oorlogen in de wereld en de toekomst van hun kinderen. In een wereld waar egoïsme toeneemt, lijkt het donker ons te overweldigen. Het hoogste gebod is: ‘Heb God lief boven alles en je naaste zoals jezelf.’ Maar hoe gemakkelijk vergeten we dat! Velen beschouwen zichzelf als de hoogste norm, en leven louter voor eigen gewin en genot. Hoewel dat misschien tijdelijke bevrediging biedt, is het uiteindelijk een doodlopende weg. Zolang we niet bereid zijn God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf, wandelen we in het duister.
De dag van Jezus’ geboorte, de nacht waarin Jakob worstelde met de engel, en de dag waarop Jesaja zijn hoopvolle belofte uitsprak, waren allemaal momenten waarop duisternis de wereld leek te omhullen. Telkens weer wordt de mensheid verblind alsof er een dikke deken over de aarde ligt, waardoor ze de werkelijkheid van God niet kan zien.
Een groot geheimenis
In zijn brief aan de Efeziërs spreekt Paulus (3:3-6) over een geheimenis dat aan hem is geopenbaard. Het inzicht is dat Gods licht zich niet langer alleen openbaart aan de joden, de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob, maar dat het zich door Christus uitbreidt naar de rest van de wereld. Hoewel dit in vroegere tijden vragen opriep, lezen we er al iets over in Hosea (2:1-2), waar de profeet aankondigt dat het aantal Israëlieten zal zijn als het zand van de zee, niet te meten en niet te tellen. “En op de plaats waar tegen hen gezegd is: ‘Lo-ammi!’ (Niet-mijn volk!), zal tegen hen gezegd worden: ‘Kinderen van de levende God!’”
Dat roept de vraag op: wie is dat volk Israël? Wellicht gaat het meer om een geestelijke identiteit dan om nationaliteit, etniciteit, of geografische locatie. Diverse teksten wijzen op een verandering in de relatie tussen God en zijn volk, een uitbreiding van het concept “mijn volk”. Zelfs mensen die niet van geboorte bij het uitverkoren volk Israël hoorden, zullen op een dag zonen en dochters van de levende God worden genoemd. Paulus verwijst hiernaar in zijn brieven aan de Galaten en de Romeinen, waarin hij stelt dat in Christus het onderscheid tussen Jood en Griek vervaagt (Galaten 3:28, Rom. 9:25-26).
Net zoals Gods licht opgaat over een donkere wereld en doorbreekt als de dageraad, zo verspreidt het zich vanuit Jeruzalem naar alle uithoeken van de aarde. Terwijl de Torah voorheen voorbehouden was aan de Joden, verkondigt Paulus dat door Jezus Christus alle mensen, ongeacht hun afkomst, mogen delen in Gods genade en beloften.
Geen vervanging maar uitbreiding
Het is belangrijk om te benadrukken dat het gaat om een uitbreiding van Gods volk, niet om een vervanging. Sommige christelijke stromingen hangen de vervangingstheologie aan, die stelt dat de kerk de plaats van het volk Israël in Gods heilsplan heeft ingenomen. Er zijn echter talrijke beloften in de Bijbel die specifiek aan het volk Israël zijn gedaan, en aan het fysieke nageslacht van Abraham, Isaak, en Jakob. De Joden blijven de eerstgeborenen, met een speciale opdracht en plan. Dat geldt ook voor Yeshua (ישוע) zoals Jezus oorspronkelijk heet. De Bijbel vertelt ons dat hij de tempel bezocht, in de leer ging bij rabbijnen, besneden werd en de mitswot in acht nam.
Het is dan ook niet verbazend dat Jezus zich met zijn onderwijs aanvankelijk tot het joodse volk richtte, dat hem aansprak met rabbi (leraar). Niets wijst erop dat Jezus zich ooit van zijn wortels distantieerde, of dat hij erop uit was een nieuwe religie te stichten. Integendeel: Jezus maakt in het Mattheüsevangelie (5:17-37) duidelijk dat hij niet is gekomen om de wet af te schaffen, er zal geen titel of jota vergaan. Wel herleidt hij de wet tot de essentie, door te stellen dat liefde de vervulling is van de wet. Het is die essentie die hij uitbreidt naar vele andere volkeren op aarde, zodat zij via Jezus – zoon van David – kunnen delen in Gods beloften.
De drie magiërs uit het Oosten
Het hart van de uitbreiding van de belofte wordt vaak gesitueerd bij Handelingen 10, na de bekering van de Romeinse officier Cornelius, wanneer Petrus na een visioen de prediking uitbreidt van Joden naar niet-Joden. Toch zien we al veel eerder iets opmerkelijks gebeuren. Het Mattheüsevangelie (2) verhaalt hoe kort na de geboorte van Jezus de Drie Wijzen uit het Oosten, ook wel magiërs, op weg gaan, het licht achterna. De ster van Betlehem leidt hen door de nacht naar het wonder: het kindje Jezus. De Bijbel geeft weinig prijs over hun identiteit, namen, of specifieke afkomst. Wel weten we dat de magiërs zeer waarschijnlijk geen joden waren, maar heidense astrologen of geleerden uit Perzië of Babylonië, regio’s met een rijke geschiedenis van astrologie en astronomie. Grote kans dat ze nooit één bladzijde uit de Torah hebben gelezen. Toch zijn zij het die de tekenen begrijpen. Juist deze magiërs zien de ster en besluiten die te volgen, op weg naar het wonder. Ze brengen goud, wierook en mirre als eerbetoon aan Jezus, wiens roeping ze voorzien en erkennen. Hier zien we de woorden van Jesaja (60:3) weerspiegeld: “Volkeren laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel.”
Geënt op de edele olijfboom
In zijn brief aan de Romeinen (11) gaat Paulus dieper in op het geheimenis, waarbij hij de metafoor van een olijfboom aanhaalt om de eenheid tussen joodse en niet-joodse gelovigen te benadrukken. Paulus spreekt over gelovigen als wilde takken die geënt zijn op de edele olijfboom, met wortels in het gelovige overblijfsel van het oude Israël. Beide groepen mogen delen in de grote rijkdom van de Abrahamitische erfenis door Jezus Christus, die door Gods genade ook andere volkeren (lo-ammi) op de edele olijfboom heeft geënt.
Gods verbond met Noach
Een eerder verbond dat God sloot met Noach, is evenmin onbelangrijk. Dit verbond werd niet alleen met het joodse volk gesloten maar met de hele planeet aarde. Dat wijst erop dat Gods hart vanaf het begin uitgaat naar al wat leeft, en dat zijn grote beloften zich niet beperken tot één volk, maar zich via de stamvaders van Israël uitbreiden naar de rest van de schepping. Jezus zei niet voor niets in het Lucasevangelie: “Mijn huis moet vol worden” (Lucas 14:23). Gods ontferming is zo groot dat zijn licht niet slechts op één individu schijnt, maar zich uitstrekt naar alle acht miljard inwoners van de planeet aarde.

Volg het visioen
Kom en zie! Over de duistere nacht gaat een licht op. Maar om dat te kunnen zien, moeten we bereid zijn het visioen te volgen. Als we staren naar de duisternis van de wereld, ons laten verblinden door oorlogen en strijd, lopen we het risico het visioen te missen. Juist wanneer de wereld donkerder lijkt, moeten we onze ogen gericht houden op de ster. Op het goddelijke licht dat doorbreekt als de dageraad.
Om onze focus niet te verliezen, is het cruciaal dat we een onderscheid maken tussen enerzijds geografisch en politiek Israël, en anderzijds geestelijk Israël op basis van de Bijbelse beloften en profetieën. Het Israël dat de Bijbel beschrijft, overstijgt een natie in het Midden-Oosten. Geestelijk Israël verwijst naar het nieuwe Jeruzalem of Zion. Dat is niet primair een fysieke plaats die je op een landkaart kunt aanwijzen, maar een nieuwe realiteit die ontwaakt in de harten van mensen. Nieuw Zion is een belofte: ooit komt de lange nacht ten einde, ooit zal over worstelende volkeren de zon opgaan. Op een dag zal kennis van de grootheid van God heel de aarde vervullen, zoals het water van de zee de zandkorrels van de oceaan bedekt.
Sta op en schitter! Wat betekent dat voor ons? Het betekent dat we ons niet moeten laten meeslepen door de politieke realiteit of vijanddenken. Er is een betere belofte waar ons heil mee samenhangt! God belooft zijn volk een hemels Jeruzalem, een rijk waar vrede zal heersen en waar God zelf licht zal geven, en dat licht zal niet doven. In Jesaja zien we een opmerkelijke overeenkomst tussen de verlichtende God en het verlichte Zion. Het Hebreeuwse woord voor schijnen, אוֹר (or), kan zowel licht betekenen als verlichten. Die twee begrippen hangen nauw samen.
Er is een spreekwoord dat zegt: “Waar je mee omgaat, word je door besmet.” Zo is het ook met onze Schepper. Als we tijd investeren in onze stille omgang met de Eeuwige, vindt er een verandering van hart plaats. Ons harde hart wordt geleidelijk vervuld met Zijn licht en liefde. Met elk gebed, elk lied, worden we een beetje meer gelijkvormig aan God. We groeien naar de gelijkenis en het evenbeeld van onze Schepper. Zoals God licht is en in Hem geheel geen duisternis is, worden ook wij mensen van licht.
In tijden waarin kerken worstelen met grote uitdagingen, is het essentieel om onze focus niet te verliezen. De toekomst van de kerk ligt niet in het vastklampen aan tradities, maar in onze ontvankelijkheid voor het licht van Gods liefde. Goede koffie of mooie gebouwen zullen mensen niet naar onze kerken trekken, maar wel als ze daar iets proeven van Gods licht en liefde, dat doorbreekt als de dageraad in een donkere wereld.
Schittering begint niet in de kerk
Tot slot nog iets belangrijks. Opstaan en schitteren begint niet in de kerk, maar in ons hart. Gods licht kan de wereld veranderen, maar we moeten ons wel openstellen om het te ontvangen. De drie wijzen nodigen ons uit om op te staan en op weg te gaan naar het Beloofde Land. Om op te trekken naar het licht dat in de wereld gekomen is. Jezus heeft voor magiërs en vreemdelingen de weg gebaand, zijn ster verlicht zelfs onze donkerste nacht in luister en glorie. Een ster die ons voorhoudt dat niets verloren is – dat er hoop is voor deze wereld. Laten we doen als de wijzen uit het Oosten, laten we onze ogen op de sterren gericht houden, zodat we niet verzwolgen worden door de donkere nacht. Want eens komt de lange nacht ten einde. Rise & shine! ✨
Dit is de tekst van de preek van zondag 7 januari 2024, eerste zondag van Epifanie, in de Protestantse Gemeente te Axel (Zeeuws-Vlaanderen). De uitzending is ook via livestream te bekijken.


Geef een reactie