Mensen doen vaak veel verschillende dingen. “Druk zijn” is een sleutelbegrip geworden. Als iemand je vraagt hoe het gaat, en je zegt “druk-druk-druk”, dan betekent dat dat je goed bezig bent. Dat je naar behoren meedraait in de economische ratrace; met andere woorden – dat je ertoe doet.
Tegenwoordig zijn we wat we doen. Onze visitekaartjes vertellen niet alleen een verhaal over wat we doen, maar ook over wie we zijn. Handig als je cardioloog of officier van justitie bent, maar iets lastiger als je even geen werk hebt of je brood verdient met het leegzuigen van beerputten. Alle functies zijn belangrijk om de samenleving te laten draaien, maar niet alle functies ontvangen evenveel eer.
Mensen doen ontzettend veel dingen, maar niet alle taken worden als even eervol gezien. En – daar zullen we vandaag dieper op ingaan – je kunt ontzettend druk zijn met activiteiten, maar niet altijd met de juiste intenties.
Wie dien ik?
Er zijn mensen die hard werken en veel levensenergie besteden aan zaken die maar geen vrucht willen dragen. Ze ploeteren en blijven proberen. Ze raken gefrustreerd, maar op de één of andere manier rust er geen zegen op hun inspanningen. Een vraag die we onszelf eens wat vaker zouden moeten stellen is: waarom doen we eigenlijk wat we doen?
Er zijn mensen die zich elke dag opnieuw voortslepen naar een baas die hun inspanningen maar niet lijkt te waarderen. Een werkgever voor wie het nooit goed genoeg is, maar als die niet thuis geeft als je hem of haar zelf eens nodig hebt. Of misschien herken je in dat profiel wel je partner of een familielid. Als we ons het vuur uit de sloffen lopen en maar blijven proberen om iemand tevreden te stellen – als we daarin onze vervulling zoeken en het een doel op zich wordt – dan kost dat ons onnoemelijk veel levensenergie. We geven onszelf leeg. En terwijl we dat doen, ervaren we alsmaar minder vervulling. Dat is de reden van veel burn-outs vandaag.
Een fundamentele vraag die we onszelf moeten stellen: wie dien ik eigenlijk?
Er zijn veel dingen waar je dienstbaar aan kunt zijn. De vraag wie of wat we dienen, is fundamenteel. Want de dingen die onze heer en meester zijn, kunnen ons gaan beheersen en overmeesteren. Dat is waarom Mozes het volk Israël op hun reis naar het Beloofde Land de zegen en de vloek voorhoudt en waarom Jozua, zijn opvolger, bij de binnenkomst in Kanaän tegen het volk zegt: “Kies dan heden wie hij dienen zult.” (Jozua 24:15)
Ook wij, hedendaagse gelovigen die individueel en als gemeenschap samen op weg zijn naar het Beloofde Land, moeten onszelf die vraag stellen. Wie dienen wij? Dienen we de afgoden van het land waarin we wonen, of handelen we uit liefde voor de Allerhoogste en de eeuwige God?
Onrechtvaardige priesters
Dat principe is waar de profeet Maleachi aan refereert, als hij zich in het gelijknamige Bijbelboek richt tot de priesters van Israël (Maleachi 1:14b-2:2b). De priesters zijn gewichtige heren met aanzien bij het volk. Ze lopen rond in lange gewaden versierd met gouddraad en edelstenen, voeren tempelrituelen uit en prevelen lange gebeden. Voor het oog van het volk lijken deze heren rechtvaardig. Maleachi doorbreekt die illusie. Rechtvaardigheid bereik je niet door een kleed aan te trekken, een vrome glimlach op te zetten en gewichtige rituelen uit te voeren. God kijkt dieper dan alle pracht en praal. God ziet het hart aan. En het hart van de priesters tot wie Maleachi zich richtte, werd niet voortgedreven door een verlangen om God te eren door de tempeldiensten. Deze heren zochten niet God, maar vooral zichzelf.
Waar ging het mis? De priesters waren nalatig in het vervullen van hun taken. Ze volgden de juiste rituelen niet nauwgezet en toonden weinig toewijding voor hun taak. Ze hadden geen respect voor het altaar, noch voor de offers die ze daarop brachten. De priesters brachten niet alleen gestolen, verlamde en zieke dieren als offer, maar deden dat ook nog eens met openlijke tegenzin. “Wat is dit toch vermoeiend”, verzuchtten ze, of: “Wat een uitputtende taak.”
Daar komt nog bij dat ze hun onderwijzende rol jegens het volk verwaarloosden. De minachting die ze zelf voelden, brachten ze ook op mensen over. Ze spiegelden hun volgelingen voor dat er aan het altaar niets heiligs was, en aan de offers evenmin. Dat maakte dat deze priesters, notabene aangesteld om de mensen dichter bij God te brengen, het volk op een dwaalspoor leidde waardoor het in onwetendheid verbleef.
Dienstbaarheid als discipelschap
In de wereld waarin we leven, heerst vaak een verdraaid idee van dienstbaarheid. Een dienaar wordt dikwijls gezien als minder dan de meester; als iemand met een inferieure positie. Veel mensen willen de baas zijn die de orders geeft en door anderen bediend wordt, maar ze willen liever geen dienaar zijn. Misschien gold dat ook wel voor de priesters in Maleachi. Voelden zij zo’n weerstand om de Meester te dienen, omdat ze zelf heer en meester wilden zijn?
Wij mensen willen niet altijd dienstbaar zijn. Dienstbaarheid zit niet altijd in ons DNA – we zijn van nature misschien meer geneigd om voor ons eigen gewin te gaan. Dat is dan ook een terugkerend patroon in de geschiedenis van het volk Israël. We zien het ook bij de profeet Jeremia, als hij het volk vergelijkt met een ontrouwe echtgenoot: “Gij hebt uw banden verscheurd, en gezegd: wij willen niet dienstbaar zijn” (Jeremia 2:20).
Als we weigeren om dienstbaar te zijn, raken de banden met God verscheurd. Dat geldt ook voor onze banden met mensen. Dienstbaarheid is het hart van discipelschap en van sterke gemeenschappen. Dat is waarom God op talloze plaatsen in de Bijbel benadrukt: wees een dienaar voor allen. En waarom Jezus zegt: “Wie zijn kruis niet draagt en achter Mij komt, kan Mijn discipel niet zijn.” (Lucas 14:27)
De priesters hielden van voorname posities, maar daar onder die lange gewaden ontbrak het hen aan het voornaamste: een hart van dienstbaarheid. Ze hadden kennis, maar misbruikten die kennis om zichzelf op de stoel van Mozes te plaatsen in plaats van mensen dichter bij God te brengen. Het vermogen om te dienen is een test voor ware discipelschap.
Wie is je meester?
Tweede vraag: wie is jouw Meester?
Mensen kunnen veel meesters hebben. Dat hoeven niet per se mensen te zijn. Een afgod kan je meester zijn, alcohol kan dat zijn, of je imago – zoals de priesters die we zojuist zagen. Maar dit is allemaal erg verraderlijk en zelfs gevaarlijk. Ook bij de mensen die ons leiden, moeten we niet alleen luisteren naar hun woorden maar ook hun wegen toetsen. Waarom? Dat maakt Jezus duidelijk in het Mattheüsevangelie.
Wat als een Farizeeër je Meester is? Als we kijken naar hoe de Schriftgeleerden en Farizeeërs omschreven worden, passen ze naadloos in het profiel van de priesters in ons vorige verhaal. Het zijn heren die hun gebedsriemen breed maken en hun kwasten groot. Ze zijn erop gebrand de eerste plek te krijgen bij maaltijden en de belangrijkste zetels in synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door iedereen rabbi genoemd worden. (Mattheüs 23:1-12)
Is het soms niet verleidelijk om op te kijken naar imposante mensen die pretenderen alle waarheid te bezitten? Dat is wat de toehoorders van Jezus doen. Zij zien niet verder dan de gewichtige gewaden, maar Jezus doet dat wel. Net als de profeet Maleachi heeft ook Jezus het goddelijke vermogen om verder te kijken dan wat voor ogen is, en het hart aan te zien. (Cf. 1 Samuel 16:7)
Als we een leider in alles volgen, dan zullen we worden zoals hij of zij. Je gaat op elkaar lijken. Dat is ook het leiderschapsmodel van Jezus. Dat is waarom hij twaalf discipelen uitkoos en zoveel tijd met hen doorbracht. Opdat zijn volgelingen zouden woorden zoals hij. Opdat ze begiftigd zouden worden met zijn geest. Maar wat als we we nu de verkeerde leiders volgen, mensen die niet God maar zichzelf dienen? Dan komen we uit op een dwaalspoor. We vervreemden niet alleen van God maar ook van anderen en van onszelf, en de schade is niet te overzien.
Let op je leiders
Dat is waarom Jezus zijn discipelen waarschuwt: kijk naar je leiders. Luister niet alleen naar wat ze zeggen, naar de mooie woorden die ze spreken, maar let ook op hun daden.
“Pas op voor valse profeten, die in schapenvacht naar jullie toe komen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zullen jullie hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, evenmin als een slechte boom goede vruchten dragen kan. Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. Zo kunnen jullie hen dus aan hun vruchten herkennen.”
Mattheüs 7:15-20
De Farizeeërs en de Schriftgeleerden kunnen de toets niet doorstaan. Ze zijn niet consistent in hun handelen en spreken. Ze leggen mensen grote lasten op, maar zelf weigeren ze om ook maar een vinger te verroeren.
Toch, en dat valt op, zegt Jezus niet dat de mensen moeten breken met deze leiders en ophouden hen te volgen. Hij zegt:
“De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden.”
Mattheüs 23:1-3
Met die woorden benadrukt Jezus dat het verstandig is om je oor te blijven neigen naar goed onderwijs. Deze rabbi’s hebben daarvoor het gezag en de kennis gekregen. Maar Jezus waarschuwt tevens voor de inconsistentie van hun woorden en daden. Het is goed om te luisteren naar wat deze religieuze leiders zeggen, maar ook om niet te handelen naar hun daden.
Toets alle dingen
Zelfs al waren de harten van de Schriftgeleerden en Farizeeërs ver verwijderd van God, het was nog altijd goed voor de mensen om van hen te leren, want zij wisten veel over de Joodse Thora. Maar Jezus drukte de mensen op het hart om hun leringen te volgen voor zover hen dat dichter bij God zou brengen. Onze intenties moeten bovenal op God gericht zijn. We kunnen leiders volgen die ons daarbij helpen, bijvoorbeeld door onze kennis te vergroten of bij te dragen aan ons levensonderhoud of onze persoonlijke groei. Maar blindelings leiders volgen, simpelweg omdat ze een bepaalde autoriteit of positie hebben, dat is – zoals de geschiedenis ons leert – vrijwel altijd een slecht idee. Het is onze verantwoordelijkheid om kritisch te zijn en te onderzoeken, zoals de apostel Paulus opdraagt:
“Toetst alle dingen en behoud het goede.”
1 Tessalonicenzen 5:21
Het is belangrijk om voor ogen te onthouden dat de weg die God wil dat we gaan, niet alleen geschreven staat in de Schriften, maar ook in onze harten. Wees trouw aan die weg. Vertrouw erop dat God niet alleen spreekt via de mond van anderen, maar ook tot je eigen hart. Wat essentieel is, is dat je leert luisteren en tijd doorbrengt met God. Dat is waarom Jezus zegt:
“Maar u, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden.”
Mattheüs 6:6
De mooiste en meest waardevolle dingen beginnen niet bij uiterlijkheden, maar in onze binnenkamer. Daar waar niemand ons ziet. Deze wereld is vol activiteit en geluid, daarom is het nodig om tijd te reserveren voor gebed, reflectie en bezinning. Bestudeer de Schriften en open je hart en geest voor inspiratie. Geloven is niet zozeer traditie of geschiedenis, maar bovenal een werkwoord. God wil persoonlijk tot mensen spreken in verschillende tijden. Zo treden we in de voetsporen van de spirituele tocht naar het ‘Beloofde Land’, en sluiten we ons aan bij het heilsverhaal van vele eeuwen en generaties.
Bewaak de schat
Wie dien je en wie is jouw Meester? Twee centrale vragen voor deze zondag, die in elkaars verlengde liggen. Het belangrijkste antwoord is zoals Jezus zei: “Heb God boven alles lief en heb je naaste lief zoals jezelf.” (Marcus 12:30-31) In deze woorden is alles vervuld – alle leerstellingen en profeten, elke wet en gebod. Dat mogen we in gedachten houden, waar we ook gaan. Bind die woorden om je voorhoofd, draag ze in je hart.
De wereld is in rep en roer. Er is oorlog, overal heerst strijd, de gevolgen van klimaatverandering bedreigen de toekomst van jonge generaties in arme landen. We weten niet wat er komen gaat, maar dit is de tijd om onze harten en gedachten te sterken en vast te houden aan de schat die ons is toevertrouwd.
Wie dienen we? Gaan we voor tijdelijke vervulling, of voor de Weg van de Eeuwige, die ons een vrede heeft beloofd die alle harten en verstand te boven gaat? Richten we onze aandacht op vergankelijke en tijdelijke dingen, of op zaken die van eeuwigheidswaarde zijn? Op innerlijke schatten die niet verslijten, en die niet door roest en mot kunnen worden aangetast? Dat is niet alleen cruciaal voor onze relatie tot God, maar ook voor hoe we ons tot deze wereld verhouden.
Laten we ons hart openstellen voor de boodschap van dienstbaarheid en het vinden van de ware Meester in ons leven. Laten we elkaar liefhebben, dienen en steunen, terwijl we samen op weg zijn naar een diepere verbinding met God.
Zegen jullie allen.


Geef een reactie