Over angst, overgave en iets groters dan wijzelf
Na een paar kilometer joggen plof ik neer op een bankje in het park. Even op adem komen. Maar dan… begint het te regenen.
Eerst zacht. Maar nog voor ik goed en wel rechtsta, slaan de druppels om in felle slagregens. In mijn T-shirt zet ik de terugtocht in. Boven mijn hoofd barst het onweer los. De lucht scheurt open, het wordt donker — veel te snel.
Hoe kom je hier nog veilig doorheen?

Op zulke momenten valt de romantiek van de natuur even weg. Wat eerst rust gaf, keert zich om. De wereld wordt groter, onvoorspelbaarder — en jij kleiner.
Mijn oma was bang voor onweer. Ze vertelde dat er ooit, in Indonesië, een vuurbal haar huis was binnengedrongen. Sindsdien wist ze: dit is geen spelletje.
Precies dat is wat onweer met ons doet. Zo’n krachtig natuurverschijnsel herinnert ons eraan dat niet alles in het leven beheersbaar is. Dat er krachten zijn die zich niets aantrekken van onze plannen of ons tempo.
En dat wat groter is dan wijzelf, roept niet alleen ontzag op, maar boezemt ook angst in.
Van mythe naar wetenschap
Generaties vóór ons probeerden dat onbeheersbare te duiden. Onweer was nooit zomaar weer. Het gold als een teken.
De donder werd gehoord als een stem, de bliksem als een ingreep van boven. Bij de Germanen was het Donar die de hemel liet bulderen, bij de Grieken Zeus, bij de Romeinen Jupiter. Verschillende namen, maar dezelfde intuïtie: hier gebeurt iets dat de mens overstijgt.
Met de Verlichting veranderde dat perspectief. Onweer werd verklaarbaar: elektrische ontladingen, luchtdruk, natuurwetten. Het mysterie werd ontleed. Dat bracht iets dubbelzinnigs met zich mee: we verloren een deel van de angst, maar ook een vorm van ontzag.
Want wat gebeurt er met onze ervaring van het overweldigende, wanneer alles wordt teruggebracht tot wat we kunnen meten en verklaren? Wanneer de hemel niet langer spreekt, maar alleen nog functioneert?
Misschien is niet zozeer het onweer veranderd, maar onze manier van kijken.

Bliksem in de Bijbel
Wie de Bijbel er op naslaat, merkt al snel: onweer is daar nooit zomaar een meteorologisch verschijnsel. Het gebeurt op kantelpunten. Momenten waarop er iets doorbreekt.
Exodus 19: Bliksem op de berg Sinaï
Hier zien we een beweging: Mozes verdeelt zich tussen de berg Sinaï en het volk. Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begint het te donderen en te bliksemen (Exodus 19:16). De heilige berg trilt. Wat werd aangekondigd, wordt realiteit.
De Schepper onthult zijn kracht, maar niet op een geruststellende manier.
Geen zachte aanwezigheid, maar een die ontregelt. Een die de afstand doorbreekt en tegelijkertijd bewust maakt van hoe groot die afstand is. Donder en bliksem markeren dat moment: hier gebeurt iets dat zich niet laat kaderen of beheersen. Iets dat onze mentale schema’s overstijgt, en dat zich niet laat reduceren tot iets comfortabels.
Als een flits die in één ogenblik alles blootlegt.
Misschien is dat waarom zulke ‘bliksem-ervaringen’ ons zo diep kunnen raken. Herken je dat? In een fractie van een seconde wordt er iets geopend dat je niet onder controle hebt. Iets dat je stilzet, of terug werpt op jezelf.
En juist daar, in die spanning tussen aantrekking en angst, kan er iets van het goddelijke doorbreken.

Psalm 29: De stem van de Heer
- “De stem van de HEER klinkt over het water,
de God vol majesteit laat de donder rollen.” (Psalm 29:3–4) - “De stem van de HEER laat bliksemflitsen slaan.” (Psalm 29:7)
Ook in Psalm 29 is onweer meer dan ruis op de achtergrond. Het ís de stem.
Geen fluistering, maar een kracht die de schepping doortrekt. Bomen splijten, de woestijn beeft, alles komt in beweging. Wat hier klinkt, laat zich niet negeren.
De psalm beschrijft een God die niet alleen nabij is in stilte of troost, maar ook in wat ons ontregelt. In wat ons wakker schudt, uit evenwicht brengt, ons dwingt om opnieuw te luisteren.
Alsof de storm zelf iets zegt — niet in woorden, maar in kracht.
En misschien is dat wat we zo moeilijk vinden: dat het goddelijke zich niet alleen laat zien in het zachte, maar ook in het overweldigende. Dat juist datgene wat ons uit onze vanzelfsprekendheid haalt, ons vaak het diepst uitnodigt om opnieuw te openen.

Openbaring: rond Gods troon
“Van de troon gingen bliksemschichten uit en donderslagen en groot geraas.” (Openbaring 4:5)
Ook Johannes kijkt niet uit over een rustige hemel. Rond de troon flitst het, dondert het, kraakt het. Wat hier zichtbaar wordt, is geen God die zich laat temmen of geruststellend laat inkaderen. De hemel zelf is geladen als vlak vóór een storm, maar dan zonder ontlading.
Bliksem en donder zijn hier geen decor. Ze onthullen iets: dat deze aanwezigheid alles doorbreekt wat verborgen blijft, dat niets buiten schot blijft, niets onaangeraakt. Je kunt je daar niet voor afsluiten. Je kunt het niet beheersen.
Je kunt het alleen ondergaan — of je eraan toevertrouwen.
De nacht dat de hemel rood kleurde

Geconfronteerd worden met een werkelijkheid die je overstijgt: dat is iets tijdloos, zo mocht ik gisteren ervaren. Nadat ik had geschuild in een fietstunnel — mijn kleding doorweekt, het water tot aan de enkels — besloot ik mijn tocht voort te zetten. Voor mij lag een verlaten fietspad, en aan het einde daarvan, ergens in de verte, de dichtstbijzijnde woonwijk.
En toen, in een flits, gebeurde het. De hemel kleurde rood en een bliksemschicht tekende zich af boven mijn hoofd, als een lichtende kring. Een zeldzaam verschijnsel, zo leerde ik later. “Dit is serieus,” besefte ik.
Wat een opluchting om eindelijk een woonwijk in te kunnen rennen. In de verte wuifden de populieren in de storm, zoveel groter en hoger dan ik. Voor even werd ik me bewust van mijn eigen kleinheid, geplant in een groot en ontzagwekkend geheel.
Onweer voel je niet alleen buiten. Soms zit het vanbinnen.
Spanning die zich opbouwt. Woorden die onuitgesproken blijven. Emoties die zich vastzetten omdat er geen ruimte is om ze te laten landen. Tot het moment aanbreekt waarop je het niet langer houdt: een uitbarsting, tranen, woede. Als een bliksemschicht die de stilte doorbreekt.
“Het kwam als donderslag bij heldere hemel,” zeggen mensen dan. Maar zelden is de hemel echt helder geweest. De druk was er al — alleen onopgemerkt, langzaam opgebouwd van binnenuit.

We proberen zulke momenten vaak te vermijden. Ze zijn ongemakkelijk, ontregelend, soms pijnlijk. Maar zonder ontlading blijft de druk bestaan. En wat zich blijft opstapelen, verhardt op den duur.
Toch is niet elke storm bevrijdend.
Er is een verschil tussen ontladen en blijven razen.
De les van de storm: voor alles is een tijd
“Everywhere you go, always take the weather with you.” Met die titel scoorde Crowded House in 1991 een hit. En daar zit een waarheid in. Sommige mensen zijn het zonnetje in huis, maar er zijn ook mensen die storm veroorzaken, en mensen bij wie het lijkt alsof er altijd een donderwolk boven hun hoofd hangt.
Wie blijft hangen in onweer — in voortdurende spanning, conflict of innerlijke onrust — raakt uitgeput. Zoals een landschap beschadigd raakt door een orkaan die maar niet ophoudt, zo raakt ook een mens ontregeld wanneer de storm van binnen nooit tot rust komt.

“Voor alles is er een tijd,” zei Prediker. Dat is ook de les van de storm. Je kunt hem niet tegenhouden, maar je kunt je er wel voor terugtrekken tot hij gaat liggen. En dan pas weer naar buiten treden onder een heldere hemel.
De storm als overgangsmoment
Slagregens, stormen en bliksem doorbreken het idee van de natuur als bron van rust. Wanneer je er midden in staat, voelt dat zelden verheffend; eerder als verlies van controle.
Toen het bliksemde rond de berg van Mozes, beefden de mensen van angst. Ze werden zich bewust van een wereld die zich niet laat beheersen; van een universum dat zich niets aantrekt van hun kaders en zekerheden. En toch was juist dat een moment van overgang.
Na de donder op de Sinaï volgt het verbond. Na de storm bij Job klinkt een stem. Na de duisternis van Golgotha komt de opstanding. Maar nooit zonder die breuk. Nooit zonder die ontregeling.
Misschien ga jij nu ook wel door een periode waarin het stormt. Waarin spanning zich opbouwt en je voelt dat er iets op uitbarsten staat: een waarheid die niet langer onderdrukt kan worden, woorden die uitgesproken moeten worden.
Bedenk dan: hoe ontregelend bliksem en storm ook zijn, ze horen bij onze natuur. Ze zijn niet het einde, en niet bedoeld om te blijven. Soms moet je er even doorheen. En soms ondergaan we de storm van anderen, of van omstandigheden waarop we geen greep hebben.
Maar er is altijd een weg vooruit.

Dat is wat ik leerde, daar op dat verlaten fietspad, onder een hemel die rood oplichtte en zich even sloot boven mijn hoofd. Je kunt de storm niet stoppen. Je kunt hem niet begrijpen terwijl hij woedt.
Maar je kunt erdoorheen gaan. Doorweekt, alert, klein. En, als het voorbij is… nog steeds levend. Gedragen door iets wat groter is dan jijzelf.

Geef een reactie