Hoe vrees ons verstrikt en vertrouwen bevrijdt
Wie herkent het niet: die knoop in je maag als je iets moet zeggen of doen waar anderen iets van zouden kunnen vinden. “Ik heb zo’n last van bel-angst”, bekende mijn zoon laatst na een sollicitatiegesprek. Zijn handen trilden, zijn stem haperde. Hoe vaak laten wij ons niet gijzelen door de blik van anderen? De Bijbel zegt daarover: “Vrees voor mensen legt een strik” (Spreuken 29:25). En strikken zijn dodelijk effectief – ze maken je onvrij, houden je tegen, laten kansen aan je neus voorbijgaan.
De strik in het Hebreeuws
Het Hebreeuwse woord voor strik is moqēš: een jachtinstrument, een touw of net om dieren te vangen. Wie in de moqēš valt, verliest zijn vrijheid. Hij zit vast, verstrikt, beperkt in zijn mogelijkheden. Misschien droomt hij nog van samenwerking of toekomst, maar hij durft niet meer te bewegen. Zo glippen de kansen voorbij, terwijl hij gevangen blijft in zijn eigen angst.
Een parabel
Wat doet vrees met ons? Laat me het vertellen aan de hand van een verhaal.
Er was eens een hertogin die woonde in een mysterieus kasteel, diep verscholen in het bos. Ridders die erlangs trokken, keken telkens omhoog, zich afvragend wie daar woonde. In hun gedachten groeiden de verhalen: welke schatten zouden er achter die hoge muren verborgen liggen?
Vanuit haar torenkamer zag de hertogin hen passeren. Ze merkte hoe hun paarden moe en dorstig waren, en vroeg zich af of de ridders zelf niet ook uitgeput en hongerig zouden zijn. Dus liet ze een tafel dekken met de beste wijnen en gerechten, haalde de brug neer en wachtte. Maar de mannen werden bevangen door twijfel. “Wat als dit een list is?” fluisterden ze. En in plaats van binnen te gaan, reden ze door.
De volgende avond herhaalde de hertogin haar gebaar. Weer liet ze de tafel dekken, schonk ze de wijn in en zette ze de fijnste gerechten klaar. Maar ditmaal ging ze verder: ze liet niet alleen de brug zakken, maar rolde ook een rode loper uit – een teken van welkom. De ridders hielden hun paarden in. “Dit kan onmogelijk voor ons bedoeld zijn,” zei de een. “En stel dat het wél zo is… dan is het vast een valstrik.” Wantrouwen won het van hun verlangen naar ontmoeting. En opnieuw verdwenen ze in de nacht.
De derde avond liet de hertogin opnieuw de tafel dekken, de wijn inschenken en de brug zakken. Maar ditmaal ging ze nog verder: ze trok een feestjurk aan en wenkte de ridders van verre. Toen ze haar zagen, sloeg de paniek toe. “Zie je wel,” riepen ze, “ze wil ons in de val lokken!” In blinde haast keerden ze hun paarden om en vluchtten in galop het bos in.
Daarna bleef het kasteel gesloten. Toch gaven de mannen hun nieuwsgierigheid niet op. Ze probeerden via omwegen binnen te komen: springend over de gracht, klimmend langs de muren, sluipend langs de honden. Maar één voor één kwamen ze ten val.
Uiteindelijk waagde de aanvoerder zich toch naar de poort. Hij klopte aan. Een wachter deed open en zei: “De hertogin is vertrokken. Drie avonden lang stond alles voor jullie klaar, maar vrees hield je tegen. Nu is de tijd voorbij.”

Vrees voor mensen spant een strik
De hertogin boog zich niet naar beneden. Ze reikte uit, herhaaldelijk. Maar wie haar tafel vreest, zal nooit binnengaan.
Als ik eerlijk ben, herken ik mezelf soms in die ridders. Ik zie een kans, voel een uitnodiging, maar mijn hoofd fluistert: “Wat als dit teveel is? Wat als ik deze verwachting niet kan waarmaken?” En voor ik het weet, ben ik verstrikt in mijn eigen vrees.
Maar Spreuken 29:25 wijst een andere weg: “Wie op de Eeuwige vertrouwt, wordt beschermd.”
Vertrouwen tilt ons uit de strik omhoog, naar een veilige hoogte.
Wie vertrouwt, leeft en handelt vanuit liefde en vrijheid.
Maar wie vreest, blijft gevangen in de valstrikken van zijn angst.
Misschien is dat wel de vraag van vandaag: waarin houdt vrees voor mensen me tegen? En welke brug mag ik, in vertrouwen, wél oversteken?


Geef een reactie