Wat ze ons leren over geloof, fundament en heiligheid
“Kijk naar de mieren en word wijs,” zei de wijze koning Salomo (Spreuken 6,6-8). Soms dringt de diepere betekenis van die uitspraak tot je door. Andere keren voel je vooral de ironie. Een mierenplaag die een veldkapel binnendringt en het altaar uitholt – wat valt daar eigenlijk van te leren?
De eerste keer dat ik het zag, schrok ik me een hoedje. In de vroege ochtend was ik op pad gegaan om de veldkapel naast mijn huis te openen, een plek van stilte en gebed. Tot mijn verbijstering bleek het witte altaar volledig bedekt met vliegende mieren.
En niet alleen het altaar.
Ze zaten werkelijk overal: op de muren, tegen de ramen – zelfs op het delicate gezicht van moeder Maria, die haar kindje Jezus stevig tegen zich aangedrukt hield.
De dans van de vliegende mieren
Ik ging zitten op een van de stoelen, hapte naar adem. Mijn ogen gleden naar de witte muur, waar de mieren zich samenpakten tot een bewegende massa.
Boven mijn hoofd, tegen het smalle hoge raam, klonterden ze samen, alsof ze naar buiten wilden.
Ik stond op, pakte de grote sleutel en gooide de deur open.
Zodra de frisse lucht naar binnen stroomde, kwamen ze los van muur en altaar. Met zwermen tegelijk begonnen ze te vliegen – en buiten, in het ochtendlucht, buitelden ze over elkaar heen in een bonte paringsdans.
De bruidsvlucht, zo leerde ik later: een rituele dans van geslachtsrijpe mannetjes en koninginnen.
Een betoverend tafereel met een tragisch randje: voor de mannetjes is dit hun laatste dans. Na het paren sterven ze. De bevruchte koninginnen trekken verder, op zoek naar een nieuwe plek om een nest te starten – liefst beschut, droog en veilig.

Bijbelse wijsheid over mieren
Salomo zegt in Spreuken 6:6–8:
“Luiaard, ga naar de mier,
kijk hoe zij werkt en word wijs:
al heeft ze geen aanvoerder,
geen leiding of heerser,
in de zomer legt ze een voorraad aan,
in de oogsttijd verzamelt ze haar voedsel.”
De mier is een miniatuurbeeld van wijsheid: ze leeft in dienst van het geheel, werkt in stilte en bereidt zich voor op de toekomst. Mieren graven niet zomaar een gangetje – ze zoeken letterlijk een nieuwe wereld om in te wortelen. Een krachtige metafoor voor vooruitzien, samenleven en innerlijke discipline.
🧱 Maar wat als de mieren het altaar uithollen?
Inmiddels is het al meerdere jaren raak. “De voet van het altaar is al helemaal uitgehold,” zeg ik tegen Ina van het districtsbestuur, als we samen de schade bekijken. Ik schuif het smeedijzeren hek nog iets verder open.
Ze wijst naar het verpulverde hout op de grond. Een spoor van ragfijn zaagsel. “Kijk, ze zitten zelfs hier, onder de grond.” Tussen de tegels tekent zich een kier af, die alsmaar groter lijkt te worden.
Later komt een man van Rentokil.
Hij wijst op een kleine opening in het voegsel aan de achterkant van de kapel, onder de grote lindeboom: “Hier is het open. Hier zijn ze vermoedelijk binnengekomen.”
Een spoor van zwarte wegmieren, op zoek naar een nieuw thuis – die nu het altaar ondergronds langzaam maar zeker uithollen. Wat als die efficiënte werklust waar de mier voor staat, ook een vernietigende kant heeft? Zo vernietigend zelfs, dat het sacrale erdoor wordt aangetast?

Wat is nog heilig als het fundament verdwijnt?
Ik kijk naar de kier onder de muur. Naar het zaagsel op de grond. Naar de plek waar het altaar ooit stevig stond in deze veldkapel.
De mieren zijn niet kwaadaardig. Ze volgen gewoon hun oeroude instinct, en nestelen zich in wat wij als heilige ruimte ervaren.
En toch: iets essentieels wordt uitgehold.
Misschien ligt de wijsheid van de mier niet alleen in haar werklust, maar in de vraag die ze achterlaat:
Welke gewoontes, systemen of overtuigingen blijven wij trouw voeden – zelfs als het fundament eronder aan het afbrokkelen is?
En durven we dan – zoals Salomo ons aanraadt – opnieuw te kijken, te luisteren, en wijs te worden?

Geef een reactie