Massagraven in Canada. Toch niet in Gods naam?

Bruce Allan (60) leeft met beelden die hem blijven achtervolgen. Als de dag van gisteren herinnert hij zich hoe de grootste pestkop van het Lejac-internaat in Canada angstig wegkroop als “de pedofiel” binnenkwam. Een dag later maakte de jongen een einde aan zijn leven. Steeds meer Canadese heropvoedingsinternaten geven hun duistere geheimen prijs: 215 anonieme graven bij een katholieke kostschool, 715 in een prairiegehucht, 182 in de bossen van Brits-Columbia.

De Inuit-gemeenschap in Canada – ook wel First Nations genaamd – wordt getekend door een groot onrecht. Inheemse moeders gaven, verleid met het perspectief van gratis onderwijs en een toekomst voor hun kinderen, hun zonen en dochters af. Maar de droom mondde uit in een nachtmerrie. Toen de kinderen niet terugkeerden van school, groeide het angstige voorgevoel dat de gemeenschap haar verloren kinderen nooit meer terug zou zien.

Knagende angst

Zo’n nachtmerrie is gewoonlijk te gruwelijk om te geloven. Liever getroostten ouders zich met de gedachte dat de schoolcarrière van hun inmiddels volwassen kinderen succesvol was verlopen; dat zijn hun wortels wellicht waren vergeten en elders een succesvol bestaan hadden opgebouwd. Maar zelfs die illusie volstond niet om de knagende angst weg te nemen. Een angst die lange tijd geen woorden kreeg, maar die de levens van honderden families tekende.

“In 2007 stond ik bij de school van mijn vader, waar nu 215 graven zijn gevonden,” getuigt Bruce Allan in De Volkskrant. “Toen al voelde ik de energie van de gestorven kinderen. Overlevenden wezen naar de plaats waar de doden werden begraven. We hebben zo lang gewacht op bevestiging van wat we altijd al wisten. De vondst is vooral een klap voor degenen die ons niet geloofden. Nu ze de graven met hun eigen ogen zien, kunnen ze er niet meer omheen.”

Zieltjes winnen

Toen de Franse en Britse kolonisten aan het eind van de 15de eeuw aankwamen in Canada, leek het contact met de oorspronkelijke bewoners vreedzaam te verlopen. Beide volkeren vonden elkaar in de pelshandel, en middels verdragen werd er een samenlevingsregeling getroffen tussen de nieuwkomers en de inheemsen.

Pas toen de First Nations de economische ontwikkeling van de Britse en Franse kolonisten in de weg stonden, kwam daar verandering in. De Europeanen hadden landbouwgrond nodig, dus werd assimilatie ingezet als “oplossing voor het indianenprobleem”. De taak werd uitbesteed aan katholieke, protestantse en anglicaanse kerken. Die dat overigens graag deden, in de hoop zieltjes te kunnen winnen onder de “heidense” volkeren.

Assimilatiebeleid

Lange tijd ging Canada prat op haar humane assimilatiebeleid. Waar de Amerikanen de Indianen zonder pardon uitmoordden, kregen de Inuit-kinderen immers gratis onderwijs. De kostscholen hadden tot doel de kinderen op te voeden tot “beschaafde witte burgers”. Een heropvoeding waarbij hun lange haar werd afgeknipt, inheemse tradities moesten wijken voor christelijke gebeden en westers denken. Dat alles niet zelden onder zware lijfstraffen, ontberingen, ernstige ziekten en zelfs seksueel misbruik.

Toen in 1903 een medicus van het Bureau Indiaanse Zaken alarm sloeg over het sterftecijfer van 69 procent in sommige internaten, werd hij ontslagen. De overlijdens werden goedgepraat met het argument dat de inheemsen nu eenmaal zwak waren en snel aan tuberculose en andere infectieziekten bezweken. In 1944 was het dichter Wallace Robb die opnieuw de noodklok luidde. Het was hem opgevallen dat de kampen waar de Inuit-kinderen verbleven, verdacht veel weg hadden van de concentratiekampen van de nazi’s. Veel gehoor vond hij niet. Het zou tot 1996 duren voordat het laatste heropvoedingsinternaat de deuren sloot.

Kaïn en Abel

Een vraag die blijft kwellen is: hoe is zoiets in Godsnaam mogelijk? In het Bijbelboek Genesis lezen we hoe Kaïn na de moord op zijn broer in het veld staat. “Waar is je broer Abel?”, vraagt Jahweh, “Wat heb je gedaan? Hoor, het bloed van je broer roept tot Mij van de aardbodem!” Toen Bruce Allan op de graven van 215 kinderen stond, voelde hij hun energie. Ook hun bloed riep vanuit de aardbodem, hun zielen weigerden te rusten totdat er gerechtigheid had plaatsgevonden.

Kaïn antwoordde: “Ik weet het niet, ben ik soms mijn broeders hoeder?” Evenzo antwoordden ook de Canadese regering en de kostscholen: “Wij weten van niets, zijn wij soms verantwoordelijk voor de zwakke weerstand en de wilde inborst van deze kinderen?” Noch Kaïn, noch de geestelijken in de kostscholen waren bereid de ander als hun broeder te zien; als een naaste die zij zouden kunnen liefhebben. In plaats daarvan ontmenselijkten zij hen, ze reduceerden hen tot rivalen, tot vijanden van hun eigen vermeende superioriteit. Halve wilden, zo noemden de geestelijken van de kostscholen de Inuit-kinderen.

Mea culpa

Hoe kon zoiets in Godsnaam gebeuren? Dat is een vraag die mij als christen kwelt. Een vraag die mijn geloof andermaal onder druk zet, die mij doet worstelen, die mij misschien zelfs ongewild tot medeverantwoordelijke maakt. Hoewel paus Franciscus royaal zijn medeleven betuigde, onthield hij zich van excuses. Omdat er ook protestanten zoals ik bij dit verhaal betrokken zijn, voel ik mij geroepen dat wel te doen. Mea culpa, mea culpa, mea culpa.

Als dit in Gods Naam gebeurd is, waar waren wij dan mee bezig toen we 2.000 jaar lang vroom en vrolijk kerkje speelden? Misbruikschandalen, machtsmisbruik, onaantastbaar leiderschap, kolonialisme, honderden dode kinderen in massagraven in Canada. Welke spoken zitten er nog meer onder het tapijt? De lijst lijkt alsmaar aan te zwellen.

Stad op vergoten bloed

Gelukkig ben ik niet de enige die worstelt. Vanmorgen werd ik getroffen door een hartenkreet van de profeet Habakuk. Staand op de wachtpost en uitkijkend over de vestingwal brengt hij de ongerechtigheid van de Chaldeeën bij God. Dan krijgt hij een visioen, waarin de daden van dat volk in niet mis te verstane bewoordingen worden veroordeeld.

“Wee hem die op winstbejag uit is voor zijn huis, om zijn nest in de hoogte te bouwen, om zich te redden uit de greep van het kwaad! U hebt schande voor uw huis beraamd. Door vele volken uit te roeien, hebt u tegen uw leven gezondigd, want de steen schreeuwt vanuit de muur, en de balk antwoordt erop vanuit het houtwerk.

Wee hem die een stad met vergoten bloed bouwt, die een stad op onrecht grondvest!

Habakuk 2, 10-12

Wat verbindt Kaïn en de Chaldeeën vandaag met koloniale regimes? Elk van hen bouwde zijn steden op vergoten bloed. Hun zelfzuchtige ambities reikten tot in de hemel, gesymboliseerd door gebouwen, wolkenkrabbers en pracht en praal. Maar zoals het bloed van Abel schreeuwt vanuit de aarde, schreeuwen de stenen vanuit de muur en de balk antwoordt vanuit het houtwerk. Want ook dat is wat Habakuk verduidelijkt: de mens heeft weliswaar een vrije wil gekregen, maar dat betekent niet dat hij ongestraft zijn gang kan gaan. Hij oogst wat hij zaait. Zijn daden keren tot hem terug en komen op hem neer; hetzij goed hetzij kwaad.

Harteloze heerser

Etnische volkeren die hun heiligdommen in rook zagen opgaan, kinderen die een tragische dood stierven, mensen die werden beroofd van de grond van hun voorouders. Toch niet in Gods naam? Helaas wel. Al die weerzinwekkende daden gebeurden in naam van een god die zich verbindt met etnocentrisme en rassentheorieën; een god die zich thuis voelt in patriarchale machtsstructuren en hiërarchieën; een god die gelooft dat het doel de middelen heiligt, die zich verheugt over het bloed van onschuldige kinderen. Die harteloze god is de macht achter de bommengordels, het brein achter bloedstollende aanslagen en genocides – de Moloch van deze wereld, dat is hij.

Zou hij de enige god zijn, dan was ik nu atheïst. Sterker nog: ik zou er een goddeloos genoegen in hebben geschept zijn iconen, symbolen en heilige boeken te verbranden en met een grote boog om zijn heiligdommen heen te lopen. Maar omdat protesteren een protestant nu eenmaal in het bloed zit, maak ik bezwaar tegen die god. Tegen deze Moloch.

Niet mijn God

Ja, u hoort het goed. Ik protesteer tegen deze harteloze heerser! Want ik geloof nadrukkelijk in een God die Liefde is; die oproept niet te doden maar elkaar lief te hebben en te vergeven, die stelt dat in de liefde de gehele wet is vervuld. Ik geloof in een God die bereid was naar de Aarde te komen en in de gestalte van Jezus Christus Zijn liefde voor de mensheid te openbaren. Een God ook, die geen dodenoffers vraagt, maar in plaats daarvan Zelf het offer werd.

Ik protesteer, want die God was het niet die de graven delfde waar honderden onschuldige kinderen in verdwenen. Waar was Hij dan wel? Hij was in het angstige hart van de jongen die wegkroop voor zijn beul. Hij was in de tranen van de moeders die in onzekerheid leefden over het lot van hun kinderen, in de jeugdige dromen die bruut werden afgebroken, in de kromgebogen oude Inuit die uitkijkend over de einder verlangde nog eenmaal de glimlach van zijn kleinzoon te zien. En terwijl Hij verbleef op al die plaatsen, stierf Hij duizenden malen telkens opnieuw.

Heer, vergeef ons onze schulden.

Gepubliceerd door Kelly Keasberry

Kelly Keasberry (1975) studeerde theologie aan de Universiteit Utrecht, gevolgd door Wereldreligies & Interreligieuze Dialoog en Journalistiek, beide aan de KU Leuven. Ze werkt als journalist voor het Vlaamse christelijke opinieblad Tertio en gaat als freelance predikant voor binnen diverse kerken in België en Nederland. Samen met haar man Joost en vier zonen woont ze in Antwerpen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: