De gruwel in Gaza laat niemand onberoerd. Terecht voelen velen verontwaardiging over het lot van de Palestijnen. Maar wanneer die verontwaardiging omslaat in haat tegenover Joden, slaan we een gevaarlijke weg in. Antisemitisme is geen antwoord op geweld – het wakkert het alleen maar verder aan. Juist daarom hebben we een open, meerstemmig debat nodig, waarin ruimte is voor nuance, menselijkheid en dialoog.
Aan universiteiten laait de druk op. Studenten en personeel eisen expliciete standpunten: tegen de bezetting, tegen de bombardementen, tegen Israël. Maar zoals filosoof Patrick Loobuyck in De Standaard terecht aankaart: de kerntaak van een universiteit is niet om pamfletten te verspreiden, maar om het debat te bewaken. Een universiteit moet geen partij kiezen, maar ruimte bieden aan verschillende perspectieven — juist wanneer die pijn doen of schuren.
Sommige collega’s voelen zich verbonden met het Palestijnse narratief, anderen bekijken het conflict eerder vanuit Israëlisch perspectief. Beide visies verdienen een plek in het universitaire debat, ze dagen elkaar uit en helpen blinde vlekken bloot te leggen. Als we alleen de informatie volgen die onze opvatting bevestigt, krijgen we een onvolledig en vertekend beeld van de werkelijkheid.
Wie alleen die bronnen volgt die het eigen gelijk bevestigen, ziet geen werkelijkheid, maar een spiegelbeeld.
Morele absolutismen verstikken de dialoog
Toch lijkt de open dialoog steeds meer in het gedrang te komen. Het debat is verhard. Wie probeert om wat nuance in te brengen, of het geweld van Hamas ter sprake brengt, of het bestaansrecht van Israël erkent, wordt al snel verdacht gemaakt. ‘Dus jij keurt genocide goed?’ — zo’n vraag nodigt totaal niet uit tot een gesprek, maar nagelt je meteen aan de schandpaal. Morele absolutismen verstikken de dialoog. Ze reduceren ingewikkelde kwesties tot simpele kampen, en zetten mensen neer als karikaturen.
Zwart-witdenken biedt schijnzekerheid. Maar echte solidariteit vraagt iets anders: de moed om plaats te nemen in het grijze gebied. De bereidheid om het lijden van de Palestijnen ten volle te erkennen, én tegelijk het opflakkerende antisemitisme ondubbelzinnig af te wijzen — ook in progressieve kringen. Beide waarheden kunnen en móéten naast elkaar bestaan.

Eenheidsdenken
Loobuyck waarschuwt terecht voor het gevaar van eenheidsdenken: zodra universiteiten zelf partij gaan kiezen, ontstaat er een sfeer waarin afwijkende stemmen worden gemarginaliseerd. Kritisch denken maakt dan plaats voor groepsdruk en zelfcensuur. En laat net die vrijheid om het oneens te zijn — om vragen te durven stellen — de zuurstof zijn van elk open academisch klimaat. Loobuyck concludeert dan ook:
De universiteit moet niet zelf politieke standpunten verkondigen, maar een stem geven aan die uiteenlopende perspectieven. Ze moet pluralisme, dialoog en meningsverschil koesteren.
Universiteiten mogen en moeten hun mensen aanmoedigen om zich uit te spreken. Ook als hun mening schuurt met de heersende opinie. Wetenschappers die bang zijn om te spreken, uit angst voor reputatieschade of uitsluiting, vormen geen gezonde democratische cultuur. In het beste geval ontstaan er dan stille knikjes in gangen. In het slechtste geval zwijgt iedereen, behalve wie het hardst roept.
Feiten en mensenrechten als anker
Betekent dat dan dat elke mening evenveel waard is? Dat de universiteit zich nergens meer over mag uitspreken? Zeker niet. Geen enkele instelling hoeft ruimte te geven aan ontkenners van de Holocaust of aan oproepen tot geweld. Ieder schip dat door woelige wateren vaart, heeft een anker nodig. Voor de universiteit zijn dat feiten, en universele mensenrechten. Dat zijn geen relatieve waarden, maar morele fundamenten.
Vrijdag werd ik tijdens de eindredactie geraakt door een column die maandag op Theologie.nl verschijnt. Daarin getuigt rabbijn Lody van de Kamp hoe iemand tegen hem sneerde:
Rot op met je verhaal over vrede! Vertel jij nou maar waarom het geen genocide is. Weet je wat jullie Joden moeten doen? Gewoon dat Jodenland van jullie opdoeken. Weg er mee. Gewoon opheffen. Alleen dan kan er vrede komen.
Maar hij beschrijft ook ander momenten. Zo stond hij met zijn initiatief Said en Lody voor een klas met moslimleerlingen. Een jongen vroeg: ‘Meneer, voor wie bent u? Israël of Palestina?’
Een meisje met hoofddoek corrigeerde hem: ‘Het is geen voetbalwedstrijd Nederland-België.’
En na een gesprek over halal en koosjer eten, keppeltjes en hoofddoeken, begon ook deze jongen het te begrijpen: dit conflict gaat over mensen. Over angst, over verlies, over hoop. En over de diepe wens om erkend te worden in je mens-zijn.

Het kwetsbare midden als begin voor vrede
Dat is waar elk gesprek zou moeten beginnen: bij het besef dat we allemaal mensen zijn. Dat Israël niet dé vertegenwoordiger is van het jodendom. Dat het lijden aan beide zijden echt is. Wie Joden lastigvalt omwille van Israëlisch beleid, helpt de Palestijnen niet. Wie universiteiten dwingt tot eenduidige standpunten, ondermijnt het vrije denken. En wie nuance afwijst, sluit de deur voor dialoog.
Terwijl precies daar, in dat kwetsbare midden, iets kan ontstaan wat zeldzaam is in tijden van polarisatie: wederzijds begrip.
En misschien, heel misschien, een begin van vrede.

Geef een reactie